nieuw logo site

Zeevissen

In de Noordzee leven ongeveer 220 vissoorten. De ene vis leeft heel anders dan de andere. Haringen en makrelen zijn bijvoorbeeld planktoneters die vaak vlak onder het zeeoppervlak te vinden zijn. Tong, schol en de meeste haaien- en roggensoorten zijn bodemvissen. Zij jagen op bodemdieren zoals wormen, krabbetjes en garnalen. En dan zijn er nog de echte rovers: vissen die jagen op andere vissen: kabeljauwen en zeebaarzen bijvoorbeeld.

Een leven lang onder water:

 

Alle vissen zwemmen, maar niet op dezelfde manier. Stayers als makreel, haring en sprot kunnen lange tijd behoorlijk snel zwemmen. Kabeljauw, schelvis, tong en schol zijn sprinters: zij kunnen korte tijd snel zwemmen. Het verschil is goed te zien aan de spieren. Bij stayers zijn de spieren goed doorbloed, dus rood. Sprinters hebben witte spieren, die snel uitgeput raken.
Haring en makreel leven in de bovenste waterlaag, meestal in grote scholen. Hun voedsel bestaat uit plankton of kleine vis. Deze bewoners van open zee noemt men pelagische vissen. Ze hebben vaak een speciale kleur om niet op te vallen: een groenblauwe rug en een zilverwitte buik. Voor zeevogels is de vis  slecht te zien in het groenblauwe oppervlaktewater. Voor roofvissen valt het dier van onderen gezien weg tegen het heldere licht. Ze zwemmen in scholen omdat ze dan beter beschermd zijn tegen roofvissen, en omdat zwemmen in scholen energie bespaart. De vis maakt in een school gebruik van de wervelingen in de waterstroming die zijn voorganger maakt. 
Bodemvissen, zoals schol en tong, leven op de zeebodem en voeden zich met bodemdieren en kleine vissoorten. Vaak hebben ze een kleurpatroon dat lijkt op de zeebodem. Tarbotten kunnen zelfs hun kleur aan de omgeving aanpassen. Bodemvissen graven zich ook vaak in.
Roofvissen voeden zich met kleinere vissen. Zij jagen zowel bij de bodem (kabeljauw en schelvis) als dicht bij het wateroppervlak (geep, zeebaars en wijting). Het zijn snelle zwemmers met een grote bek en vaak scherpe, naar achteren gerichte tanden.